Hier volgen enkele passages uit het nieuwe boek:

"Er resten nog 130 kilometer tot in Santiago. In een restaurantje eten we heerlijke toasti’s van bananen met een biertje. Twee vrienden baten dit plekje uit aan de grote weg. Een van hen vraagt of hij mee mag naar Santiago in de auto. Alejandro is een jongeman van 22. Petje op  gekleurde krullen. Flashy zonnebril. Groene sportschoenen. Lut praat met hem op de achterbank. Dirk zet zijn MP3, made in Vietnam op. Hij ziet in de achteruitkijkspiegel dat hij de helft van de antwoorden niet kan opnemen want de non-verbale communicatie is sterker dan de verbale. Alejandro gooit zijn handen in de lucht als Lut hem vraagt wat hij vindt van de leuzen aan de rand van de weg, die ons in deze heimat van de revolutie blijven achtervolgen.

“Dat zijn holle woorden. Dat is echt het verleden. Dat is oudemannenpraat.”

“Moeten die weg?”

Hij trekt een snoet.

“Is het een kwestie van tijd, een kwestie van natuurlijke eliminatie?”

Fors geknik.

“Waar droom je van?”

 

“Van een reis naar Italië, naar stranden en mooie dingen, naar het land van mijn autootje, een Fiat, een cinquecento, een groentje is het, heel mooi. Ik droom van een comfortabel leven met mijn novia.”

En hij toont een foto van zijn meisje. Ze studeert geneeskunde. Ze zit in haar vierde jaar. Hij heeft twee jobs. Hij werkt als kassier in een warenhuis en heeft zijn eigen piepklein restaurant. Hij werkt hard, maar ontspant zich evenzeer. ‘Disfrutar.’ Ontspannen, Dansen. Dat is wat hij vanavond gaat doen. Met vrienden en zijn liefje naar de disco en dansen en drinken. Tot 2u. vannacht, want morgen moet hij werken. Hij is ervan overtuigd dat een andere economie nodig is. Lut vraagt hem wat hij vindt van het beleid van de regering, dat alles inzet op groottoerisme. Toeristen zijn ok. Ze zorgen voor inkomsten. Maar de opbrengst komt vooral de regering ten goede, niet de ondernemer; da’s een harde. Hij meent het. De bloqueo maakt alles lastig, maar er zijn andere mogelijkheden. Hij wil vooruit en zijn bedrijfje harder laten groeien, maar het gaat traag, te traag.

“Waarom blijf je dan in Cuba?”

“Omwille van de ‘tranquilidad’, de rust, de kalmte.”

“Santiagio is helemaal niet rustig. Hoe omschrijf je tranquilidad?”

 

“Mijn familie, mijn vrienden, weinig stress, gratis zekerheid en vrijheid van werken, geld geven me rust. Van mijn familie in Jamaica en in Miami in de Verenigde Staten weet ik dat het leven daar gepaard gaat met veel stress en veel afbetalingen. Daarvan is geen sprake in Cuba. Libertad y tranquillidad.”

“En geloof?”

“Ja, zeker en vast. Mijn vriendin gelooft niet, maar ik wel. Dat moet kunnen. Elk zijn overtuiging. Ik ben lid van de groep ‘hijos de Dios’, ‘zonen van God’ in de kathedraal ‘Nuestra Senora de la Caridad del Cobre’, dat is de kathedraal in Santiago waar paus Fransiscus op bezoek is geweest. Ik onderhoud mee de kerk en zorg voor de bloemen. Dat geeft me troost. Mijn geloof helpt me te hopen op een beter leven. Een maand geleden is mijn vader gestorven. 62 jaar. Kanker, de ziekte van deze tijd. Hij ligt begraven op het kerkhof van Santa Iphigenia, waar ook Fidel ligt. Nee, ik zou er liever niet mee naar toe gaan. Zet me hier maar af. Ik geraak wel thuis. Adios. Take care.”

Het gesprek blijft nazinderen. Dit is een jongeman met een hart, met ambitie. Met realiteitszin ook. Dit is de toekomst van Cuba." Alejandro

“De meeste inwoners van Santa Clara volgen Engels om te gaan werken op de ‘cayo’s’, dat zijn de eilanden voor de kust op zowat een uur rijden van hier. Daar zijn veel nieuwe hotels en all-in resorts gebouwd, waar toeristen vanaf november neerstrijken om er op de hagelwitte stranden te zonnebaden en in het sprankelende blauwe water te zwemmen en te snorkelen. De laatste stormwinden hebben er veel schade aangericht en het toeristisch seizoen komt niet op gang. Van zodra de herstellingen achter de rug zijn zullen de hotels weer jonge mensen in dienst nemen, die van elders komen zoals ik, maar ik wil er niet werken.

 

Er wordt veel en goed geld verdiend, maar de diensturen staan me niet aan. Ik heb de zorg over mijn kind. Ik werk nu op een school voor gehandicapte kinderen als deskundige in stoornissen bij jongeren, die op twee woonblokken van hier is gelegen. Dat is makkelijk, ook voor Danielito. Ik verdien slechts 500 peso per maand of zo’n 20 CUC. Het is moeilijk om daarmee te overleven als alleenstaande vrouw met een kind, maar ik red het wel. Iedereen heeft het moeilijk. Ik zou hier in dit grote huis kamers kunnen verhuren, maar ik heb het geld niet om ze in te richten en vooral: ik heb er geen zin in.

 

Ik ben niet ondernemend en een zaak zou me slapeloze nachten bezorgen. Wie komt er volgende week logeren? Zal hij of zij meevallen? Zal ik me nog veilig voelen in mijn eigen huis? Vrienden en bekenden zoals jullie zijn hier altijd welkom, maar vreemdelingen niet. Ik zal nooit een stapje hoger zetten op de sociale ladder en tot de middenklasse toetreden, maar dat wil ik ook niet. ‘Soy una persona socialista’, ik ben een echte socialiste en socialisme betekent dat iedereen gelijk is. Ik hoef niet meer te verdienen dan een ander.” Laureen

 

 

 

 

 

 

“Ik was elf jaar in 1959, het jaar dat de revolutie van Fidel slaagde. Dat was een big bang. Het gevoel was heel spontaan. Ik zie nog de menigte voor me toen Castro met zijn bebaarde manschappen, de ‘barbudos’ op doortocht was naar Havana. De hele stad was op de been. We waren allemaal ‘Fidelista’s’. We hielden van hem en zouden door het vuur zijn gelopen voor hem en dat deden we ook. Op dertien jaar was ik een ‘brigadista’. Ik ben acht maanden lang als vrijwilliger ingeschakeld geweest in de alfabetiseringscampagne van de revolutie. Dat was in 1961. Het was de bedoeling de hele bevolking in één jaar tijd te leren lezen en schrijven, want de ongeletterdheid, vooral op het platteland bedroeg meer dan 75 procent. Stadsbewoners hadden daar geen benul van. Schoolkinderen uit de stad tussen dertien en vijftien verbleven toen een jaar lang in de dorpen op het platteland en in de bergen en woonden er in bij de boeren. Ik was één van hen. Elk meisje en elke jongen kreeg een gezin toegewezen. We verbleven er dag en nacht. Overdag hielpen we op de boerderij of in het huishouden en ’s avonds gaven we een of twee uren les aan de hele familie. Dat waren toen nog zeer uitgebreide gezinnen met veel kinderen en met de grootouders die inwoonden. Het programma begon in januari met een week opleiding in de luxueuze verblijven van het vakantieoord Varadero, die door hun eigenaars waren verlaten en door de overheid waren aangeslagen. Vanaf april werden de schoolkinderen uitgestuurd. Ik kwam met vijf andere meisjes terecht in een dorp nabij Camagüey in Centraal-Cuba samen met een oudere vrouw, die ons in de gaten hield.


Een neef van me belandde in het Escambray-gebergte in de buurt, waar het veel gevaarlijker was. Later werd een jongen van zijn leeftijd op een boerderij in de bergen gedood. De Escambray wemelde van de ‘bandidos’, dat waren contrarevolutionairen, van wie velen nog met Fidel hadden gestreden, maar die ontgoocheld waren in zijn aanpak en bleven doorvechten met steun van de Verenigde Staten, dit keer tegen het nieuwe regime. Zij hebben honderden boeren vermoord, onder wie de knaap van dertien, die werd opgehangen aan een boom. De campagne was dus niet zonder gevaar voor ons en ook bijzonder veeleisend. We mochten een jaar lang niet naar huis en kregen nauwelijks visite. Mijn moeder is me slechts eenmaal komen bezoeken.


Er was ook geen elektriciteit. We gaven les bij het licht van een carbuurlamp. De boer en de boerin waren ’s avonds ook dikwijls vermoeid na een lange dag op het veld en dan kwam er van studie niet veel in huis. Toch heb ik enkele leden van mijn gezin goed leren lezen en schrijven. De anderen hebben toch een brief geschreven naar Fidel met hun naam en het zinnetje ‘Ik kan lezen’. Voor mij was het ook een ervaring. Voor het eerst voelde ik aan den lijve hoe hard het leven was op het platteland en tegelijk was het ook ontspannend: ik leerde paardrijden en in bomen klimmen en speelde met de kinderen van de boer en had zelf een jaar lang geen les. Een trein, die uit het Oosten kwam heeft ons toen allemaal opgepikt en ons op 22 december 1961 naar Havana gebracht. We waren met meer dan honderdduizend en op het Plein van de Revolutie heeft Fidel Castro ons toen urenlang toegesproken. We kregen allemaal een medaille en riepen ‘Wat wil u dat we nu gaan doen?’ Hij antwoordde dat we met z’n allen moesten gaan studeren.
Sindsdien zijn er vele jaren voorbijgegaan. De mensen reageren niet meer zo spontaan als zestig jaar geleden. De economische blokkade door de Verenigde Staten heeft ons economisch versmacht. De zon staat niet meer aan de kim. De mensen moeten nu met zachte hand worden aangemaand om naar de massameetings te gaan. Ze moeten er naar toe. Het gebeurt niet meer spontaan.” 
Luisa

“Ik hoor hier thuis. Toch heb ik na veertig jaar de kans gegrepen om in een ander land te gaan wonen en werken. In Cuba wilde ik niet blijven omdat ik niet wou bevolen worden in wat ik moest doen en zeker niet in wat ik moest denken. Dat was al zo als student aan de universiteit. Wat ik vooral haatte was dat de beleids- en bestuursinstanties ons vijf jaar lang  probeerden te overtuigen van hun grote gelijk. De socialistische ideologie werd in onze hersenen geslepen. Ik heb er in die tijd, in de jaren ’90 bewust afstand van genomen.

 

Ik pleegde clandestien verzet en ging niet naar bepaalde politieke activiteiten, ook als men mij vertelde dat mijn toekomst zou worden gehypothekeerd als ik niet aanwezig was. Anderen gingen wel. Wellicht heeft mijn vader een rol gespeeld in mijn bewustwording. Hij was de kapitein van de Cubaanse schaakploeg en was soms maanden, zelfs jaren weg van huis. Hij vertelde me over andere landen, andere systemen. Waaraan ik niet kon ontsnappen was de militaire training van drie maanden in het laatste jaar. Ik hield er niet van om soldaatje te spelen en te leren schieten, maar we werden gedwongen de opleiding te volgen. Het was een verplichte leergang. Voor het overige kon ik het me permitteren om mijn eigen weg te gaan. Ik was één van de beste studenten van mijn jaar en ondervond geen hinder van mijn eigenzinnige opstelling.” Ana Vivian

“Ik ben geboren in 1949. Ik was bijna tien jaar toen de revolutie van Fidel slaagde. Al van jongs af aan was ik aangetrokken door muziek. Onder invloed van een oom leerde ik op bongo’s spelen, dat zijn kleine handtrommels. Nadien leerde ik op eigen houtje gitaar en werd ik gevraagd om op te treden in een band die vooral westerse rockmuziek speelde. Mijn roepnaam was Coqui. Het was de tijd van de Beatles en we beluisterden buitenlandse stations en cassettes via een tweedehands audiosysteem van Pioneer met lange antennes en vier enorme klankkasten dat ik had gekocht. We hadden er geen idee van hoe de buitenlandse rockzangers van de jaren ’60 eruit zagen want ze waren verboden in het nieuwe Cuba van Fidel Castro , maar we speelden ze na. Dat was antirevolutionair en dus fout en we werden  aan de kant gelaten. We speelden enkel op privéfeestjes, maar we werden niet opgepakt, ook al hadden we lange haren en werden we afgedaan als decadente hippies.


We waren overigens niet de enigen, die werden geboycot en gebroodroofd. Homo’s waren zieke mensen en werden zelfs in werkkampen opgesloten in de eerste tien jaren van de revolutie. Gelukkig was ik ook acteur en werd daarvoor betaald, maar het was niet makkelijk om mijn gezin met twee pas geboren kinderen te onderhouden.


In 1975 werd ik lid van ‘Septembre Quinto’, naar een opstand in de stad Cienfuegos op 5 september 1957, een goed jaar na de landing van Fidel op Cuba. Dat was een goed betaald septet dat ‘trova’ of troubadourmuziek speelde in dienst van het regime. In traditionele trova zijn de teksten heel belangrijk. Het gaat over liefde, het leven, de vriendschap, de politiek. In Castro’s guerilla waren de teksten van de trova-krijgsliederen geïnspireerd door de Latijns-Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlogen van de 19e eeuw en die moesten we na de revolutie ten gehore brengen. We hadden vrij veel succes en werden naar het buitenland gestuurd om er commerciële of ‘nueva trova’ te spelen. Dat is de muziek die de ‘Buena Vista Social Club’ populair heeft gemaakt met liedjes als ‘Guantanamera’, ‘Besame Mucho’, ‘Chau Chau’ en ‘Quizas Quizas’.


Ik heb in drieëntwintig landen gespeeld, waaronder Afghanistan, Libië, Cambodja, Laos en Vietnam, maar ook Frankrijk, Italië, Australië en Canada. In Cuba wordt niet geluisterd naar dit soort muziek, behalve in de toeristische centra. De muziekscene is er heel dubbel: aan de ene kant is er de zeer authentieke, poëtische volksmuziek, die ontstaan is op het platteland en dikwijls van Afrikaanse origine is, daarnaast is er de toeristische muziek. In elke stad zijn er ‘casa de musica’, is er een ‘casa de trova’ of een ‘casa de tradiciones’, waar gezongen en gedanst wordt met de fles rum in de buurt en waar zowel nueva trova als oude liefdesliedjes worden gespeeld en de harten beroerd. Cuba kan niet zonder zijn trova, niet zonder zijn bolero. Het is de uitlaatklep van een sentimentaliteit, die je nergens anders ter wereld vindt.

Daarnaast is Cuba ook ‘una fabrica de musicos’. Cubanen zijn meesters in het vermengen van diverse stijlen. Ze creëren aan de lopende band nieuwe muziekgenres. Al in de 19e eeuw was er een vruchtbare muzikale uitwisseling tussen de Cubaanse rumba in Havana en de Amerikaanse jazz van New-Orleans, de ‘son’ van het begin van de 20ste eeuw is een Cubaans-Afrikaanse sound, ook klassieke muziek kreeg een afro-inslag, de ‘timba’ van deze eeuw mengt ‘salsa’ met ‘mambo’ en ‘rumba’ en is een vrolijk vraag- en antwoordspel tussen trombones en violen en songs met puntige teksten op pakkende ritmes, ‘nieuwe jazz’ wordt vermengd met rock tot erg populistische muziek, Cubaanse hiphop laat elektronische beats wedijveren met ‘live’ kopers, gitaren en percussie.


Jonge Cubanen vinden de twee laatste genres ‘chevere’ of cool. Net als ik vinden ze het jammer dat Paul McCartney van de Beatles in september 2016 Cuba niet heeft aangedaan. Mick Jagger en de Stones deden het wel. Ze hadden toen maar één optreden in Havana, maar wel voor zo’n half miljoen fans, alhoewel ze lang niet zo populair zijn als de Beatles. De Fab4 hebben een standbeeld in Trinidad, John Lennon heeft er een in Havana en in Santa Clara en andere steden zijn er muurschilderingen van de vier. Ze werden destijds verguisd door het regime, maar zijn vandaag gerehabiliteerd. Voor jonge mensen is er in Cuba overigens nog altijd een grote toekomst in de muziek. Ik heb mijn dochter aangespoord om muziek te gaan studeren. Een vriend van mij heeft zijn zoon, die graag voetballer wou worden, overtuigd om carrière te maken in de muziek en niet in de sport om economische redenen. Muzikanten zijn de ambassadeurs van Cuba, maar net als de diplomaten komen en gaan ze. Coqui

“Ik wil mijn dochter dezelfde gelukkige jeugd geven die ikzelf ook heb gehad. De mijne was in de speciale periode. Honger heb ik niet gehad, maar ik moest wel op 17 gaan werken. Ik verdiende 148 peso’s per maand. Een pond rijst kostte 45 peso’s, maar ook dan zei mijn moeder dat het beter was dan vroeger. Mijn mama is nu 90. Zij heeft als zwarte vrouw geleefd onder de dictatuur van Machado en Batista voor en na de tweede wereldoorlog. Zij vertelde me geregeld over de discriminatie van de zwarten toen en de verdrukking van de armen. Zij is een groot aanhanger van de revolutie van Fidel Castro. Zij twijfelde niet, net zomin als Fidel. Zij heeft van mij een fervente communiste gemaakt van jongs af aan. Op school was ik lid van alle organisaties. Ik ben nu 45 en lid van de communistische partij. Ik ben actief aan de universiteit en in mijn wijk.

Ik probeer vooral de studenten te motiveren. Ik vind het een groot probleem dat de jongeren geen lid meer willen worden van de massaorganisaties van de partij zoals de ‘Union de Jovenes Comunistas’, de Unie van Jonge Communisten en de twee ‘Federacion Estudiantil’, de federaties van studenten, zowel van de middelbare scholen als de universiteiten. We moeten ze overtuigen om deel te nemen aan politieke activiteiten want we hebben militanten nodig, die kunnen uitgroeien tot nieuwe leiders. Wij, ouderen, moeten daar een prioriteit van maken. Dat is onze eerste uitdaging.

 

We moeten de idealen van de revolutie verder uitdragen. Ik probeer dat in mijn lessen met films en documentaires, maar er is weinig interesse. Jongeren zijn vaak nog enkel bezig met hun smartphone. Ze sturen berichtjes naar elkaar, kieken zichzelf, surfen op Facebook. Op zich is dat niet slecht, maar ik wil hen ook leren om die nieuwe technologie correct te gebruiken. Ik wil hen naar de sites leiden die ze nodig hebben voor hun studies. Het is natuurlijk wel frustrerend dat de websites in dit land zeer moeilijk toegankelijk zijn omdat de draadloze telefonie nog in haar kinderschoenen staat.” Julia

Koptekst 1